De koffieautomaat in de trimsalon aan de Nieuwestad is duur. €4,20 voor een kop die naar karton smaakt. Ik had dat bekertje die ochtend net in de prullenbak gegooid toen de bel ging.
Er stond een man op de stoep met een hond aan de lijn. Hij droeg een zwarte jas die te warm was voor half oktober. De hond was klein, bruin, met één wit oor dat omklapte. De man keek niet naar het dier. Hij keek naar het scherm van zijn telefoon.
‘Wassen, knippen, nagels,’ zei hij. ‘Bink.’
Hij legde drie briefjes van twintig op de toonbank. ‘Over een uurtje of twee ben ik terug.’ Geen mobiel nummer. Ik moest erom vragen.
‘06 12 34 56 88,’ zei hij. Te snel. Ik schreef het op de rand van een gele notitie, onder de naam ‘Tim’.
Toen was hij weg.
Merel tilde Bink op de wastafel. Hij stond stram, met zijn poten gespreid alsof de rvs-bak een ijsbaan was. Merel praat altijd tegen de honden over wat er in de Bonus van de Albert Heijn is. Tien minuten later was hij er niet meer mee bezig. Twintig minuten later had hij zijn kop op haar pols liggen. Hij rook naar sloot en oude bladeren, en na het wassen naar amandel.
Daarna zette ze hem op de grond.
Bink schudde zich uit, keek één keer achterom en liep naar de glazen deur. Daar ging hij zitten.
Het eerste uur dachten we nog aan de busbrug over de Harlingersingel. Er stond een file, zeiden we. Half twaalf. Merel zette de radio harder. Op de Nieuwestad passeerden drie mensen in hetzelfde zwarte jack. Bink stond drie keer op. Zijn staart ging drie keer omhoog. Drie keer ging de deur open en kwam er iemand binnen die hij niet kende. Toen ging hij weer zitten, met zijn neus vlak voor de richel.
Tegen twaalven vroeg Merel: ‘Hoe lang is “een uurtje of twee” precies?’
Ik pakte de gele notitie en belde het nummer. Aan de andere kant klonk eerst een klik en daarna de stem van een automatische centrale: ‘Dit nummer is niet in gebruik.’
Ik toetste het opnieuw in. Dezelfde zin. Dezelfde klik.
Merel had haar hand net op de stofzuiger. Ze bracht hem niet omhoog. ‘Bel nog eens,’ zei ze.
Daarna zei niemand iets over een file.
De dinsdagmarkt op het Wilhelminaplein was al afgeruimd. De straat rook naar kroketten van de snackbar op de hoek. Bink had geen druppel water aangeraakt. Hij zat er nog, alsof de deur een klus was die hij niet mocht opgeven.
Om half twee haalde Merel de chiplezer uit de lade achter de shampoofles. Een oud grijs ding met een sticker van een lama uit een chocolade-ei.
‘Komt goed,’ zei ze tegen Bink, meer tegen zichzelf.
Ze hield het apparaat boven Binks nek. Het nummer verscheen: 528210004123456.
Ik opende de website van de chipregistratie op de computer.
Op het scherm stond: Lotte Visser, Leeuwarden. Status: vermist sinds 18 september. Geen Tim. Geen telefoonnummer dat eindigde op 88.
‘Bel maar,’ zei Merel. ‘Dan weet je het.’
Ik belde het nummer uit de database. Een vrouw nam op. Ze klonk alsof ze net drie trappen had gerend: ‘Met Lotte Visser.’
‘Mijn naam is Sanne, van Pootje op de Nieuwestad. Wij hebben een hond gevonden. Bruin, klein, wit linkeroor.’
Aan de andere kant werd het zo leeg dat ik haar hoorde ademen.
‘Dat is Bink,’ zei ze. ‘Hij is van mij. Ik kom nu.’
Ze kwam om tien over vijf. Voor de zaak stond een blauwe Opel Corsa met de knipperlichten aan. Het portier stond nog open. Lotte Visser droeg een fietshelm met een gescheurd bandje en een rugzak die niet dicht zat.
Bink hoorde haar stem al voordat de deur openging. Hij maakte een geluid als een krakende scharnier en vloog tegen haar benen.
Lotte zat op de vloer van de salon, met de hond half over haar heen. Ze praatte in zijn vacht: ‘Ik dacht dat je nooit meer terugkwam.’
Merel pakte een rol keukenpapier van de balie en zette het naast haar neer.
Lotte vertelde het tussen twee snikken door. Bink was op 18 september uit haar achtertuin meegenomen. Door haar ex. Niels. Hij wilde de hond nooit. Hij had Bink weggedaan, maar wilde haar er eerst mee raken. Daarom bracht hij hem hierheen: een dierensalon met camera’s, anoniem, zonder echte naam.
Op dat moment ging de salontelefoon.
Ik nam op. Dezelfde stem als die ochtend.
‘Met Tim. Ik kom Bink nu halen. Sorry voor het wachten.’
‘Bink is net opgehaald,’ zei ik.
‘Door wie?’
‘Door Lotte Visser. Uit de chipregistratie.’
Er volgde een klik. Toen de pieptoon van een verbroken verbinding.
Lotte stond op. Bink bleef tegen haar been gedrukt alsof er nooit meer ruimte tussen hen mocht zitten.
Ik draaide het beeldscherm van de computer naar haar toe en klikte op ‘afdrukken’. De printer achter de balie kuchte er een vel papier uit. Bovenaan stond: Dierendatabase NL. Daaronder: Bink, chipnummer 528210004123456, eigenaar Lotte Visser, vermist sinds 18 september.
Ik legde de print op de toonbank. ‘Hier staat alles. Voor de aangifte.’
Daarna pakte ik een usb-stick uit de doos onder de kassa. Ik zette de camerabeelden van vanmorgen erop. Acht minuten waarin Niels binnenkomt, zestig euro neerlegt, een telefoonnummer opgeeft dat niet bestaat, en weer verdwijnt.
Lotte nam het papier en het stickje aan. Ze keek naar de chipnummer op de print alsof het een bewijs was dat ze niet gek was.
Bij de deur bleef ze even staan. Bink duwde zijn neus in haar handpalm.
‘Ik ga nu eerst naar het politiebureau,’ zei ze.
De deur gleed open. De bel klonk twee keer.
Merel deed de lichten uit. Op de deurmat bleef een natte pootafdruk van Bink staan, net zolang tot de verwarming hem droog had.











