Dierenarts haalt negentjarige herder Sem op uit asiel Almelo

Op de dag dat ik Sem ophaalde regende het al sinds de vroege ochtend, van dat fijne Hollandse motregentje dat je jas doorweekt zonder dat je het merkt. Ik werk al elf jaar als dierenarts in Almelo en ik dacht dat ik alles had gezien. Maar toen het asiel aan de rand van de stad me belde over de oude herder, wist ik meteen dat ik zou gaan.

Hij heette daar gewoon "nummer 14". Acht maanden had hij in het opvangcentrum gezeten, terwijl de pups en de jonge honden om hem heen steeds sneller een nieuw thuis vonden. Negen jaar oud, met een vacht die op sommige plekken bijna kaal was en heupen die hem elke ochtend een paar minuten extra kostten om overeind te komen. De verzorgster, Marieke, zei dat niemand meer dan tien minuten naar hem keek voor ze doorliepen naar de kooi ernaast.

Ik nam hem mee op de achterbank van mijn Volkswagen Caddy, met een oude deken erover die naar mijn eigen hond rook. Op de radio zong iemand een liedje van Marco Borsato, half weggedraaid. En daar, tussen de dozen met kattenvoer die ik nog moest wegbrengen naar de praktijk, gebeurde het: geen geblaf, geen onrust, niets van wat een hond normaal doet in een vreemde auto. Hij lag daar en zijn ogen liepen vol. Niet even, maar echt, tranen die over zijn snuit liepen en op de bekleding vielen.

Ik reed langs de Aa-straat, langs de bakker waar ze net de vitrine aan het opruimen waren, en kon mijn ogen niet van het achteruitkijkspiegeltje afhouden. Wat zag ik daar precies? Pijn, dacht ik eerst. Al die kille nachten op het beton van het asiel, terwijl de jongere honden een voor een verdwenen en hij bleef. Een vacht die ooit vast prachtig was geweest en nu dun en grijs was geworden, alsof de tijd hem had afgesleten. Het gewicht van altijd degene zijn die wordt overgeslagen.

Bij het volgende stoplicht, ter hoogte van het tankstation waar altijd die twee eksters op het dak zitten, stak ik mijn hand naar achteren en legde die op zijn kop. Hij drukte zijn neus erin, alsof hij moest checken of die hand echt was.

Thuis, in mijn rijtjeshuis met die veel te kleine achtertuin, had ik een mand klaargezet bij de kachel, met daarin een kussen dat mijn overleden herder Boris jarenlang had gebruikt. Ik noemde de nieuwe hond die avond nog geen naam — dat wilde ik pas doen als hij zelf zijn plek had gevonden. Hij snuffelde aan elke hoek van de woonkamer, bleef even staan bij de foto van Boris op de schoorsteenmantel, en ging toen liggen. Niet in een hoekje weggedoken, zoals asielhonden vaak doen. Gewoon, midden in de kamer, met zijn kop op zijn poten.

Ik kookte verse pens voor hem, omdat zijn maag na al die maanden droogvoer eerst rustig moest wennen. Hij snuffelde eraan, liep er twee keer omheen, en ging weer liggen zonder een hap te nemen. De hele avond raakte hij het bakje niet aan. Ik bleef op de bank zitten, met het journaal aan zonder dat ik het volgde, en luisterde naar zijn ademhaling, die te snel ging voor een hond die eindelijk rust zou moeten hebben. Rond middernacht stond hij ineens op, liep naar de gang, terug naar de mand, weer naar de gang. Onrustig ijsberen, alsof hij zich niet kon voorstellen dat dit huis er morgen nog zou zijn. Ik ging op de grond zitten, naast de mand, mijn rug tegen de kachel, en bleef daar tot hij naast me zakte. Pas toen at hij, uit mijn hand, stukje voor stukje, terwijl buiten de regen tegen het raam bleef tikken.

De volgende ochtend, terwijl ik koffie zette en de buurman zijn hond uitliet — een dwaze, veel te enthousiaste labrador die elke ochtend tegen het hek blaft — kwam hij naast me staan in de keuken. Zijn staart hing niet meer tussen zijn poten. Ik knielde neer, keek hem aan en zei: "Je heet vanaf nu Faas." Naar mijn opa, die ook altijd bleef zitten waar niemand meer op hem rekende, en die uiteindelijk toch alles overleefde wat hem probeerde te breken.

Twee weken later belde het asiel me op — een administratieve vraag over zijn vaccinatiebewijs. Marieke vroeg hoe het met "nummer 14" ging. Ik zei dat er hier geen nummer 14 meer woonde. Alleen Faas.

Nu, terwijl ik dit opschrijf, ligt hij bij de koelkast. Niet omdat ik hem riep — ik stond gewoon op om melk te pakken, en binnen drie seconden stond hij naast me, kop tegen mijn knie, wachtend tot de deur opengaat. Hij reageert sneller op dat geluid dan op zijn eigen naam. Ik geef hem een plakje kaas, hij gaat weer liggen op de vloerbedekking, met zijn kop op zijn poten, precies zoals die eerste avond.

Bedöm artikeln
( No ratings yet )
Dierenarts haalt negentjarige herder Sem op uit asiel Almelo