“Probeer aquagym. Het water draagt je gewicht, het is goed voor je gewrichten en je zit niet vast aan zware halters.”

Op mijn tweeënzeventigste schreef ik me voor het eerst in mijn leven in bij een lokaal zwembad. En laat ik heel eerlijk zijn: ik deed het niet uit een plotselinge vlaag van levenslust of sportieve ambitie. Maandenlang had mijn huisarts er bij me op aangedrongen dat ik meer moest bewegen. Mijn knieën voelden elke ochtend aan als roestige scharnieren en mijn rug protesteerde bij elke beweging die ik maakte. Wandelen werd een uitputtingsslag in plaats van ontspanning, en bij het idee van een sportschool met al die rinkelende apparaten en strakke sportleggings sloeg de angst me om het hart. Uiteindelijk wierp de arts me een reddingsboei toe: “Probeer aquagym. Het water draagt je gewicht, het is goed voor je gewrichten en je zit niet vast aan zware halters.”

Zo stond ik op een maandagmiddag in de sportzaak. Ik kocht een donkerblauw badpak met een bescheiden overslag, een strakke siliconen badmuts die akelig strak om mijn voorhoofd spande, een paar felgekleurde plastic badslippers en een lichtblauwe tas die er volgens mijn dochter uitzag alsof ik net naar de middelbare school ging.

De eerste dinsdag stond ik al met mijn hand op de deurklink van de kleedkamer op het punt rechtsomkeert te maken. De sfeer in de kleedkamer overviel me volledig. Overal vrouwen die elkaar luidkeels begroeten, alsof ze elkaar pas gisteren nog hadden gezien op een feestje. Ze praatten door elkaar heen terwijl ze zich omkleedden, leenden elkaar nonchalant flessen shampoo en discussieerden met overtuiging over de vraag of je nu wel of geen room moest toevoegen aan een traditionele andijviestamppot.

Ik voelde me een indringer in een vreemde stam. Bovendien kon ik helemaal niet goed zwemmen. Als kind had ik ooit op een zomervakantie net genoeg geleerd om niet direct te zinken, maar sindsdien kwam ik in de Noordzee nooit dieper dan tot mijn middel. Het idee om te bewegen in water dat tot mijn borst zou komen, bezorgde me klamme handen.

Onze instructrice, een energieke vrouw van middelbare leeftijd genaamd Marit, dirigeerde ons naar een hoek van het bad waar het water net diep genoeg was. De muziek dreunde uit de luidsprekers – veel te hard naar mijn smaak – en de instructies vlogen ons om de oren. Binnen een minuut was ik de draad volledig kwijt. Als de groep naar rechts draaide, bewoog ik koppig naar links. Mijn armen deden niet wat mijn hoofd wilde en mijn benen leken wel van lood. Na drie kwartier strompelde ik de kant op, fysiek uitgeput en met een diep gevoel van schaamte. Ik had het gevoel dat iedereen naar me keek en dacht: wat doet die oude vrouw hier in vredesnaam?

Toch ben ik de volgende week teruggegaan. Niet uit doorzettingsvermogen, maar puur uit Hollandse zuinigheid: ik had immers al voor een heel kwartaal betaald, en de gedachte dat mijn zuurverdiende euro’s naar een ongebruikt abonnement zouden gaan, deed meer pijn dan mijn spieren.

De eerste weken waren ronduit ellendig. Ik verafschuwde het ritueel van die verschrikkelijke badmuts. Ik had steevast een koude rilling als ik onder de gemeenschappelijke douche vandaan stapte, en het ergste vond ik nog dat een vaste kliek vrouwen altijd precies dezelfde bankjes in de hoek van de kleedkamer bezette, alsof er een onzichtbaar naambordje op hing. Ik kwam binnen, zweeg me door de les heen, deed m’n best om onzichtbaar te blijven en haastte me naar buiten.

Tot die ene donderdagochtend.

De les was weer rommelig verlopen. Mijn linkerknie had tijdens het watertrappelen venijnig gestoken en ik voelde me moedeloos op de rand van de zwembadrand zitten, terwijl ik met een trillende hand over mijn knieschijf wreef. Naast me kwam een vrouw zitten die ik al vaker had gezien. Ze had een kort, pittig kapsel, droeg een felrood badpak en straalde een soort rust uit die in schril contrast stond met mijn innerlijke chaos. Ze stelde zich voor als Agnes. Ze moest rond de vierenzeventig zijn.

“Doet ie zeer?” vroeg ze zacht, terwijl ze naar mijn hand op mijn knie keek.

Ik knikte schuldbewust. “Vreselijk. Ik denk dat ik ermee stop. Dit is simpelweg niks voor mij. Ik pas hier niet tussen.”

Agnes gooide haar hoofd in de nek en lachte hartelijk. “Weet je, meisje? Dat heb ik de eerste twee maanden precies zo gedacht. Ik dacht dat ze me kwijt zouden dragen. Luister eens goed: kom volgende week eens vijf minuten eerder. Dan doen we het eerste stuk samen, in ons eigen tempo.”

Ik wist niet goed wat ik ervan moest denken, maar de volgende donderdag stond ik om negen uur voor de poort.

Agnes stond al op me te wachten bij het ondiepe gedeelte. Ze nam me apart, vlak bij de rand waar we houvast hadden aan het rooster. Ze legde rustig uit hoe ik mijn ademhaling kon controleren, hoe ik de bewegingen veel langzamer kon uitvoeren en waarom het volkomen onbelangrijk was om het tempo van de fanatieke dames vooraan bij te benen. Toen zei ze iets wat mijn hele perspectief veranderde:

“Agnes,” zei ze lachend (zelf heette ze dus eigenlijk Gretha, maar ze werd door iedereen Agnes genoemd vanwege een lang verhaal over een vakantie in Duitsland), “je moet hier niet komen om het goed te doen. Je komt hier om straks de deur uit te lopen en je net iets beter te voelen dan toen je binnenkwam.”

Het klonk zo eenvoudig, bijna als een tegeltjeswijsheid, maar het werkte als een wondermiddel.

Die dag viel er een last van mijn schouders. Ik stopte met de eeuwige vergelijking met de anderen. Als ik mijn been niet zo hoog kon optillen als de dame naast me, tilde ik het toch lekker lager op? Als mijn ademhaling versnelde, stopte ik even om rustig te ademen. Niemand keek me met een scheef oog aan.

Langzaam maar zeker begon er iets te veranderen. Ik nam de tijd om na de les wat langer in de kleedkamer te blijven hangen. Niet langer gehaast wegduiken, maar luisteren naar de verhalen om me heen. Zo ontdekte ik dat Agnes vroeger twintig jaar lang een eigen fourniturenwinkel had gehad in de binnenstad, dat Ria al jaren voor haar zieke echtgenoot zorgde en dat Els na het overlijden van haar man al bijna twintig jaar helemaal in haar eentje woonde, maar haar optimisme nooit had verloren.

Na afloop gingen sommigen steevast koffie drinken in het kleine kantinetje van het sportcomplex. Wekenlang bedankte ik vriendelijk voor de eer. Ik verzon smoesjes over afspraken thuis, de was die nog in de machine zat, of de hond die zou wachten (terwijl ik geeneens een huisdier had). De waarheid was simpeler en pijnlijker: het idee om aan te schuiven bij een tafel vol gevestigde grappen en vaste gewoontes benauwde me. Ik was bang dat ik niet mee zou kunnen praten, dat ik stil zou vallen.

Tot op een woensdag in november. Het regende buiten gestaag en de kleedkamer rook muf naar nat rubber en goedkope douchegel. Els draaide zich om met een dienblad in haar hand en zei recht in mijn ogen: “Kom op, Bertha. Die filterkoffie is niet te zuipen, maar de appeltaart is vandaag verrassend vers. Schuif aan.”

Ik bezweek. Ik schoof aan bij de ronde formica tafel.

Ik bestelde een koffie verkeerd en bleef uiteindelijk bijna anderhalf uur zitten. We spraken over alles en niets. Over hoe de prijzen in de supermarkt de pan uit rezen, over recepten voor suddervlees die van generatie op generatie werden doorgegeven, over kleinkinderen die tegenwoordig alleen nog maar achter schermen zaten, en over hoe stil een huis kan worden als de voordeur achter je dichttrekt nadat je je partner hebt verloren. We lachten tot onze kaken pijn deden om verhalen over vergeetachtigheid en eigenwijze huisartsen. Ik besefte opeens dat ik al in geen tijden meer zo ongedwongen en uitbundig had gelachen.

Drie maanden na mijn inschrijving had ik een vaste controleafspraak in het gezondheidscentrum. De arts keek me tevreden aan toen hij mijn dossier doorbladerde. “En, Bertha? Hou je het vol met dat zwemmen?”

“Jazeker,” antwoordde ik met een glimlach.

Mijn rug was uiteraard niet ineens als nieuw, en mijn knieën gaven nog steeds op onverwachte momenten piepignalen af als het weer omsloeg. Maar ik merkte het verschil in het dagelijks leven: ik liep de trappen in ons portiek op zonder halverwege te hoogerend naar adem te snakken, en ’s nachts sliep ik als een roos, moe op de meest voldane manier die je je kunt bedenken.

Wat ik de arts echter niet vertelde, was dat de echte transformatie zich niet in mijn gewrichten had voltrokken, maar in mijn hoofd.

Jarenlang had ik mijn agenda beheerst door plichtgevoel. Mijn dagen waren opgeslokt door doktersbezoeken, administratieve rompslomp, verjaardagen van verre neven en nichten en het huishouden dat eindeloos doorliep. Plotseling had ik twee ochtenden in de week waar ik actief naar uitkeek. Al op maandagavond legde ik mijn zwemtas klaar in de gang. Ik had zelfs de stoute schoenen aangetrokken en een felrood badpak gekocht – datzelfde rood dat ik de eerste dag met argusogen had bekeken. Het hing nu trots over de rand van mijn wasmand.

Agnes en ik zijn geen vriendinnen voor het leven geworden die elkaar dagelijks bellen. Soms hebben we flinke meningsverschillen; zij kan ongelooflijk bazig zijn en haar mening opdragen aan de hele groep, terwijl ik juist snak naar een moment van stilte. Maar als een van beiden op een dinsdag of donderdag ontbreekt, verschijnt er geheid een appje op het schermpje van onze telefoons: “Alles goed daar? Je werd gemist in het water.”

Een paar weken geleden gebeurde er iets dat me die raakte.

Ik stond in de kleedkamer mijn haren te föhnen toen er een nieuwe vrouw binnenkwam. Ze zag er om en nabij de zeventig uit. Ze droeg een keurige, maar veel te nette mantelpakjesbroek, had een enorme leren handtas krampachtig tegen haar borst gedrukt en stond verloren midden in de ruimte rond te kijken. Haar blik was exact dezelfde als die van mij op die koude dinsdag maanden geleden: angstig, verbeten, en vastbesloten om zo snel mogelijk ongemerkt te verdwijnen.

Agnes, die haar schoenen stond aan te trekken, stootte me aan met haar elleboog en knipoogde naar me in de spiegel.

Dit keer hoefde niemand mij iets te vertellen. Ik legde de föhn weg, liep op de nieuwe vrouw af, legde een warme hand op haar schouder en zei met een geruststellende glimlach: “Goedemorgen. Kom, leg je tas hier maar neer. Die muts is even wennen, maar geloof me… na de les smaakt de koffie nergens zo goed als hier.”

Op mijn tweeënzeventigste dacht ik dat ik mezelf naar het zwembad had gesleept om mijn botten soepel te houden. Het bleek dat ik vooral mijn ziel weer aan het zwemmen had gebracht.

Bedöm artikeln
( No ratings yet )
“Probeer aquagym. Het water draagt je gewicht, het is goed voor je gewrichten en je zit niet vast aan zware halters.”