In Bergentheim, aan de rand van het dorp waar mijn tuin overgaat in een smalle bosrand, staat mijn veranda op het noorden. Daar zette ik in januari voor het eerst een bakje kattenbrokjes neer, nadat ik haar drie avonden achter elkaar langs de heg had zien sluipen. Een cyperse zwerfkat, mager tot op het bot, met een oor dat half wegviel van een oude wond. Ze schrok van elk geluid — een fietsbel op straat, de deur van de buren, zelfs het getik van de regen op het dak van de schuur.
Ik heet Marijke Bosveld, tweeënzestig, gepensioneerd doktersassistente uit Almelo, sinds vier jaar met pensioen en verhuisd naar dit huis omdat het stiller is dan de stad. 's Ochtends zet ik het bakje buiten, ga bij het raam zitten met een kop koffie en de regionale ochtendkrant, en wacht. Ze kwam altijd op dezelfde manier: eerst de kop om de hoek van de schutting, dan drie stappen, dan stilstaan, dan pas verder. Ze at gulzig, alsof ze bang was dat het eten weer weg zou zijn voor ze klaar was, en verdween daarna het bos in richting het fietspad naar Sibculo.
Na een paar weken veranderde er iets aan haar. Eerst dacht ik: ze knapt op, het bakje werkt. Maar haar buik werd rond op een manier die niets met aankomen te maken had. Mijn buurvrouw Corrie, die al dertig jaar in het huis ernaast woont en altijd haar hond uitlaat om kwart voor acht, zei het onomwonden over de heg: "Als je haar blijft voeren, krijg je straks een heel nest erbij, Marijke. Zo hou je het probleem alleen maar in stand." Ik heb er niet op geantwoord, ik heb alleen het bakje weer bijgevuld. Ze kwam naar mijn huis omdat ze zich hier veilig voelde. Dat laat ik niet los op het moment dat het er het meest toe doet.
Toen bleef ze weg. Zes dagen. Ik zette het bakje toch iedere ochtend buiten en elke avond stond het nog vol, de brokjes een beetje klef geworden van de vochtige lucht. Ik liep 's avonds met een zaklamp het bos in, tot aan de sloot bij de oude schapenwei, en riep haar naam — Fien, had ik haar genoemd, naar niemand in het bijzonder, gewoon een naam die paste. Ik voelde me een beetje raar, een vrouw van tweeënzestig die tussen de eiken door een kat roept, maar ik deed het toch, twee avonden achter elkaar.
Vanmorgen, kwart voor zeven, hoorde ik gekras aan de achterdeur. Zachte, aarzelende krasjes, alsof iemand niet zeker wist of ze wel mocht kloppen. Ik deed open en daar stond ze, uitgemergeld, met natte poten van de dauw. In haar bek droeg ze voorzichtig een piepklein katje, nog met dichte oogjes. Ze liep zonder aarzelen mijn keuken in, legde het jong op het vloerkleed bij de verwarming en keek naar me — een blik die ik niet kan beschrijven zonder overdreven te klinken, maar die ik wel begreep. Alsof ze vroeg: zorg jij nu voor ons.
Ik ging op de vloer zitten, mijn ochtendjas nog aan, en keek hoe het katje dronk terwijl Fien voor het eerst sinds ik haar kende at zonder op te kijken bij elk geluid van de centrale verwarming die aansloeg. Op dat moment liep de melk van mijn koffie koud te worden op het aanrecht en kon het me niets schelen. Ik pakte mijn telefoon en belde de dierenwinkel in Hardenberg, vroeg of ze een mand met een warmtekussen apart konden leggen en of ik die dezelfde middag nog kon ophalen. Ik kocht er twee kleine fleecedekentjes bij, van dat zachte spul met sterretjes erop — belachelijk overdreven voor een zwerfkat, wist ik, maar zo'n klein wezentje verdient warmte.
Ik wist niet of er nog meer jongen waren. Fien liep die middag nog twee keer het bos in en kwam beide keren terug met een katje in haar bek, tot er drie lagen te slapen in de mand op de veranda. Corrie kwam kijken, sloeg haar armen over elkaar in de deuropening en zei niets meer over problemen in stand houden. Ze bracht een oude handdoek mee, gewassen en gestreken, "voor de kou", zei ze, en liep weer terug naar haar eigen huis zonder verder iets te zeggen.
De weken die volgden ging ik naar de dierenarts aan de Bruchterweg voor de eerste controle, de enting, de ontworming. De rekening kwam op honderdtachtig euro, wat ik zonder nadenken betaalde, want er was voor mij geen andere optie meer. Fien bleef, at rustig uit haar eigen bakje binnen, sliep 's nachts op het voeteneind van mijn bed alsof ze daar al jaren woonde. De drie katjes groeiden, kregen namen die niemand anders dan ik gebruikte, en op een zaterdag in april, toen de knop eruit was en het gras weer moest worden gemaaid, kwam Corrie opnieuw langs — deze keer met haar kleindochter, die verliefd werd op het grijze katje met de witte sok.
Ik heb geen mooi einde nodig om te weten wat het waard was. Maar het kwam er toch: zes maanden later, toen ik de oude schuur opruimde om er een kattenren tegenaan te bouwen, vond ik onder een plank een leeg blikje kattenvoer van hetzelfde merk als het mijne, roestig, met een datumstempel van bijna twee jaar terug. Iemand anders had haar dus al eerder gevoed, ergens voor mij, en was gestopt of verhuisd of overleden — ik zal het nooit weten. Fien had dus al eerder geleerd te vertrouwen en dat vertrouwen weer verloren. Dat maakte wat ze bij mijn achterdeur deed nog zwaarder om te dragen, en ik zette die avond een extra kom water buiten, voor wie er ook nog meer voorbij mocht komen.











